Nieuws

Evaluatie: POP3-maatregel Kennisverspreiding is effectief

In de POP3-periode zijn voor de verspreiding van kennis naar boer en tuinder 123 projecten opgestart. In opdracht van het ministerie van LNV is door Bureau Bartels een inhoudelijke evaluatie van de POP3-maatregel ‘Kennisverspreiding’ uitgevoerd. De geïnterviewde projectleiders geven aan dat de maatregel kennisverspreiding effectief is wat betreft de toename van het kennisniveau en verandering in bedrijfsvoering van boer en tuinder.

Bij de openstellingen is in de meeste gevallen geen keuze gemaakt voor een bepaald thema. De aanvragers (o.a. adviesbureaus, landbouworganisaties, onderwijs en natuurorganisaties) konden zelf bepalen op welke thema’s ze zich wilden richten. In vrijwel alle projecten komen meerdere thema’s aan de orde. De meest voorkomende thema’s zijn bodem en nutriëntenkringloop (vaak in samenhang), gevolgd door natuurinclusieve landbouw, water en klimaat. Verreweg de meeste projecten zijn gericht op de melkveehouderij, op enige afstand gevolgd door de akkerbouw. Verschillende projecten zijn inmiddels afgerond, de meeste lopen nog.

Interviews met de projectleiders

Voor deze evaluatie zijn 24 gesprekken gevoerd met projectleiders van (bijna) afgeronde projecten. Uit de interviews met de projectleiders komt naar voren dat verschillende methodieken worden gebruikt, zoals themabijeenkomsten, studiegroepen, demonstraties, trainingen en bedrijfscoaching. Volgens de geïnterviewden is er geen ideale methode voor een effectieve kennisoverdracht. Wel wordt een gecombineerde inzet van meerdere typen instrumenten naast elkaar als meest kansrijk ervaren voor het bereiken van de doelen. Met name demonstraties en excursies merken geïnterviewden aan als effectieve kennisoverdrachtsactiviteiten.

Aanbevelingen

Op grond van de uitkomsten zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd:

  1. Bepaal voorafgaand aan de inzet van de methodieken wat het beoogde doel is van de kennisverspreiding. Zo zijn themabijeenkomsten en presentaties vooral geschikt voor het vergroten van deelname vanuit de doelgroep en minder voor het realiseren van veranderingen. Terwijl studiegroepen en bedrijfscoaching effectief zijn voor het bewerkstelligen van veranderingen in bedrijfsvoering.
  2. Zorg dat bij toekomstige regelingen gestimuleerd wordt dat meerdere methodieken worden ingezet.
  3. Zorg dat zoveel mogelijk openstellingen “breed” van aard zijn, zodat de invulling kan worden afgestemd op kennis- en informatiebehoefte van de doelgroep.
  4. Besteed bij toekomstige kennisoverdrachtsinitiatieven ook aandacht aan het meten van effecten. Door tussentijds en na afloop de meerwaarde van de aangereikte kennis in kaart te brengen, kan beter inzicht worden verkregen wat wel en wat niet bij de doelgroep aanslaat.
  5. Kom tot een versnelling van de doorlooptijd van de subsidieaanvragen. Een lange doorlooptijd kan nadelig uitwerken op de deelname aan de projecten.

Voorbeeldproject ‘Polderkennis op Peil’

Eén van de POP3-projecten kennisverspreiding is ‘Polderkennis op Peil’ in de provincie Utrecht. Projectleider is José van Miltenburg van Gebiedscoöperatie Rijn, Vecht en Venen is voor deze  evaluatie geïnterviewd. Samen met de Agrarische Natuur Vereniging Lopikerwaard werkt ze in het veenweidegebied aan de verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Van Miltenburg: “Boeren werken samen met waterschappen en adviseurs aan de doelen in zogenaamde poldernetwerken. We organiseren daarvoor kennisbijeenkomsten, excursies en demonstraties. Hier wordt kennis tussen de boeren onderling en tussen boeren en waterschap uitgewisseld en wordt door de adviseurs nieuwe kennis is ingebracht.”

In dit project wordt geëxperimenteerd met het meten van de effecten van het project, zie aanbeveling 4. Van Miltenburg: “Aan het begin van het project hebben we door de deelnemers een vragenlijst laten invullen om het kennisniveau bij de start te meten van het project. Aan het eind van het project gaan we dat nogmaals doen om te kijken wat de effecten van het project zijn. Het gaat dan om kennis (weten wat), om bewustwording (realiseren waarom of hoe), maar ook om gedragsverandering (welke maatregelen voert u uit). Dit doen we niet alleen voor de subsidieverstrekker, maar we willen ook zelf weten wat onze inspanningen hebben opgeleverd. We hadden ook watermonsters kunnen nemen aan het begin en het eind van het project, maar de waterkwaliteit is ook van zoveel andere factoren afhankelijk.”

Afsluitend stelt van Miltenburg: “Samen kom je verder. De problemen worden per polder benoemd en waar mogelijk aangepakt. Dat zorgt enerzijds voor herkenning, alle boeren in de polder blijken het probleem te ervaren. Anderzijds voor erkenning, als het waterschap bereid is mee te denken over een oplossing.”