Innovatie

Kansen voor de landbouw in Nationaal Park Drentsche Aa

Sinds 2002 is de Drentsche Aa een Nationaal Park. Het is een bijzonder park, omdat het gebied voor meer dan de helft uit landbouwgrond bestaat. Dit Nationale Park wordt daarom het 'Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa' genoemd. Een gebied met een eigen sfeer en identiteit en ook een gebied met kansen voor de landbouw. Om hiermee aan de slag te gaan heeft het project Bio-economie Drentsche Aa van de provincie Drenthe POP3-subsidie gekregen in het kader van het European Innovation Partnership (EIP). 

Het project wil een bijdrage leveren aan het behouden en het versterken van de identiteit van het karakteristieke landschap van de Drentsche Aa. Dit doen ze door projecten te ontwikkelen waarmee de omschakeling naar een duurzame landbouw wordt gestimuleerd. Daarnaast is het de bedoeling dat in dit kleinschalige gebied rendabele landbouwbedrijven in stand worden gehouden door het creëren van een hogere toegevoegde waarde per hectare in plaats van door schaalvergroting.

Een gesprek over dit project met Jan Reinder Smeenge, een veehouder in het gebied, en met projectleider Sikke Meerman. 

De positie van de landbouw in het Nationale Park

We zitten hier in een Nationaal Park, waarbij landbouw en natuur met elkaar zijn verweven. Wat is jullie visie op de landbouw in dit bijzondere gebied?
Smeenge: De landbouw heeft een belangrijke rol in het Nationale Park. Mensen genieten juist van de afwisseling in het gebied. De kracht is dat je niet alleen door het bos fietst, maar dat je ook akkerbouwgewassen en koeien buiten ziet. De bedrijvigheid van de landbouw en de natuur versterken elkaar.

Meerman: dit Nationale Park noemt  zich het Nationaal beek- en esdorpenlandschap. Dat geeft aan dat er ook mensen wonen en dat er bedrijfsmatige activiteiten zijn. Dan moet er ruimte zijn voor deze bedrijven om zich te ontwikkelen.

Hebben de boeren in dit gebied min of meer dezelfde bedrijfsfilosofie?
Smeenge: Dat is wel wisselend. Ik heb zelf het roer in 2010 omgegooid. Van melkkoeien naar vleeskoeien en verschillende andere activiteiten op het bedrijf. Ik probeer zoveel mogelijk gebruik te maken van de waarden van dit gebied. Maar mijn buurman bijvoorbeeld is gaan intensiveren. Zo is er voor iedereen wel een plek in dit gebied.

Aanleiding en doel van het project

Kunnen jullie vertellen hoe dit project is ontstaan?
Smeenge: Een belangrijke aanleiding voor dit project was de wens van de provincie om de oude graangewassen te laten terugkeren op de es. Dat was een uitwerking van het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan Drentsche Aa. Toen kwam het balletje aan het rollen en hebben we de aanvraag voor POP-subsidie gemaakt. Toen duidelijk was dat we voor die subsidie in aanmerking kwamen, is Sikke Meerman gevraagd dit als projectleider te gaan trekken.

Meerman: We moeten nog starten met het maken van een meer gedetailleerd projectplan. Dat is  een onderdeel van de aanvraag. Er is een aantal cases die we verder willen uitdiepen voordat we  met het project voluit kunnen gaan. Het oprichten van een Operational Group voor dit EIP-project is ook een onderdeel van het project. We willen zorgvuldig kijken wie we in die groep willen opnemen. Ook stellen we een groep samen die daaromheen zit, die voeling houdt met het project en de voortgang ervan. We willen dat het project breed gedragen wordt.

Wat is het doel van Bio-economie Drentsche Aa?
Smeenge: Wij proberen met dit project een andere invulling te geven aan de landbouw in dit gebied. En daarbij willen zoveel mogelijk boeren betrekken. Als boeren deelnemen aan dit soort projecten dan neemt de bewustwording enorm toe. Dan gaan ze nadenken over hun bedrijf.

Ik ben er zelf van overtuigd dat de sleutel voor een duurzame landbouw bij de bodem ligt. Als je akkerbouwers meer bewust laat worden van het belang van een gezonde bodem en alternatieve teelten aanbiedt, dan kan je slagen maken. Ik zie dat de akkerbouwer al bewuster met de bodem bezig is dan de veehouder. In de veehouderij gaat er wat dat betreft nog veel niet goed, terwijl er al veel kennis over goed bodembeheer beschikbaar is.

Waarde aan de producten toevoegen

Een belangrijk onderdeel van het project is de ontwikkeling van een streekproduct. Waarom kiezen jullie daarvoor?
Smeenge: In dit gebied moet je zoeken naar de kansen die het Nationale Park biedt. Ik ben er van overtuigd dat veel bedrijven in dit gebied beter zouden renderen als ze waarde toevoegen aan hun product en dat gaan we stimuleren door een streekproduct op de markt te brengen.

Meerman: Daarbij kijken we vooral naar maaibare gewassen in de akkerbouw, zoals granen, veldbonen, soja en lupine. Gewassen die goed bij het gebied passen. Met de maaibare gewassen is de belasting van het milieu veel minder groot dan met bijvoorbeeld bollen of knolgewassen.

Smeenge: De meest voor de hand liggende kansen zijn er voor broodgranen. Daarbij borduren we voort op een bestaand project. Een groep ANV-leden, een molenaar en bakkers hebben subsidie gekregen van de provincie Drenthe voor het bouwen van een regionale keten. We zijn nu aan het uitzoeken aan welke producten je een Drentsche Aa-label kunt hangen. We richten ons niet zozeer direct op de consument, maar meer op de verzorgingsketens. De producten gaan toch eerst naar verwerkers zoals de molenaar en de bakker. Bakkers kunnen zich met een streekproduct ook onderscheiden.

Kun je ook zien dat het boeren voor de deelnemers leuker wordt als ze met eigen ogen kunnen zien waar de producten heengaan?
Smeenge: Ja, ik hoorde van de grootste akkerbouwer in het gebied dat het ondernemen veel leuker wordt met een afzet naar afnemers dicht bij huis. Hij krijgt respons, er komen reacties uit het dorp. Je produceert niet voor de massa, maar juist daar waar je kan zien wat er met jouw product gebeurt. Het gevoel van eigenwaarde neemt hierdoor enorm toe.

Verhaal over de landbouw in het gebied vertellen 

Een ander onderdeel van het project is educatie, voorlichting en demonstratie. Wat is de bedoeling daarvan?
Meerman: Met dit onderdeel willen we het verhaal over de Drentsche Aa vertellen. De mensen hier moeten trots worden op het gebied. We gaan naar scholen om daar belangstelling te wekken voor duurzame landbouw in de hoogste klassen van de basisschool en de laagste klassen van de middelbare school. We gaan zeker ook naar het agrarisch onderwijs in de regio. Daar is nog een grote slag te maken, denken wij. Daar zitten de boeren van de toekomst. Het meer en beter informeren over nieuwe richtingen die kunnen worden ingeslagen om de landbouw duurzamer of bestendiger te maken, is één van de doelen die wij nastreven.

Smeenge: Maar we richten ons hiermee ook op de boeren zelf in het gebied. Soms zijn ze met hetzelfde bezig en weten dat niet van elkaar. Die gaan we met elkaar verbinden. We moeten kennis uitwisselen en we gaan goede voorbeelden demonstreren. Bij de toegangspoort tot het Nationale Park ligt bijvoorbeeld een demonstratieperceel. Daar willen we minder bekende gewassen laten zien, waarvan wij denken dat die perspectief hebben, zoals spelt, veldbonen, soja en haver.